Bevrijding en bezetting door Vietnam en de eerste wankele jaren op eigen kracht (1978-2000)

Op 25 december 1978 vielen troepen van Vietnam Cambodja binnen en verdreven de Rode Khmer. Op 7 januari 1979 waren Phnom Penh en de belangrijke havenstad Kompong Som veroverd en op 11 januari 1979 werd de Volksrepubliek Kampuchea uitgeroepen. Er werd een regering gevormd onder leiding van Heng Samrin, die door nog slechts 31, veelal communistische staten, werd erkend.

Pol Pot vluchtte met dertigduizend Rode Khmers en bijna 100 duizend burgers naar de grens met Thailand en wist nog bijna twintig jaar stand te houden in de jungle, gesteund door Thailand dat hem gebruikte als buffer tegen de Vietnamezen. De Verenigde Naties bleven achter de Pol Pot-regering in ballingschap staan als de wettige representant van het Cambodjaanse volk.
 De bezetters installeerden een marionettenbewind en maakten duidelijk wat voor misdaden er waren gepleegd onder het bewind van Pol Pot. Ze veroordeelden het regime als 'rood fascistisch’. In 1989 trokken de Vietnamezen zich terug omdat ze niet langer financieel werden gesteund door de Sovjet Unie die op dat moment zelf in elkaar viel. De officiële naam werd in Cambodja veranderd.

Na de terugtrekking van de troepen werden verkiezingen beloofd. Tegelijkertijd namen de guerrilla-activiteiten in het land toe. Na het mislukken van de internationale vredesconferenties in 1990 begon een moeizaam onderhandelingsproces tussen de Cambodjaanse verzetsgroepen en de nog door Vietnam geïnstalleerde regering onder leiding van Hun Sen. Uiteindelijk keerde prins Norodom Sihanouk in 1991 terug, nadat de strijdende partijen onder toezicht van de VN-Veiligheidsraad het vredesakkoord tekenden. Dit maakte de weg vrij voor de komst van internationale troepen (UNTAC). Deze troepen moesten toezicht houden op het staakt-het-vuren, de vier strijdende partijen deels ontwapenen en het zodoende mogelijk maken dat vrije verkiezingen gehouden konden worden.
 De in mei 1993 gehouden vrije verkiezingen werden gewonnen door het Verenigd Nationaal Front voor een Onafhankelijk, Neutraal, Vredelievend en Samenwerkend Cambodja (FUNCINPEC).
Opmerkelijk was dat de Rode Khmer de verkiezingen niet had verstoord, maar de voortgang van het vredesproces werd ernstig in gevaar gebracht door de weigering van Democratisch Kampuchea (DK, oftewel de Rode Khmer) om de wapens in te leveren en de kiezers te laten registreren in districten die onder haar gezag stonden. Begin 1994 braken er dan ook gevechten uit tussen het regeringsleger en de Rode Khmer. Pogingen van Sihanouk om de Rode Khmer aan de onderhandelingstafel te krijgen haalden niets uit. 
Deze problematiek had zijn weerslag op de ontwikkeling van de economie, terwijl machtsmisbruik, corruptie en terreur van de Rode Khmer voor veel ellende zorgden.
 In het najaar van 1996 kwam het tot een breuk binnen de Rode Khmer, na een geschil tussen de eerder doodgewaande leider Pol Pot en diens zwager Ieng Sary. In juni 1997 pleegde Hun Sen een succesvolle staatsgreep. Eerste premier Ranariddh, die in Thailand verbleef, werd van al zijn functies ontheven en in maart 1998 bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar wegens wapensmokkel en tot dertig jaar wegens collaboratie met de Rode Khmer. Niet lang daarna werd hem echter door zijn vader, koning Sihanouk, gratie verleend. Hierdoor konden de door de internationale gemeenschap bepleite parlementsverkiezingen doorgaan. Deze parlementsverkiezingen werden gewonnen door Hun Sen's Cambodjaanse Volkspartij met als goede tweede de door Ranarridh geleide Funcinpec. Met de uitslag van de redelijk eerlijk verlopen verkiezingen en de vorming van een wankele coalitieregering hoopte Cambodja's sterke man Hun Sen weer opgenomen te worden in de internationale gemeenschap. Helaas voor Cambodja hadden noch de ASEAN, noch de VN hier veel zin in, met als gevolg dat buitenlandse investeringen uitbleven.
Belangrijke Rode Khmer-leiders als Khieu Samphan en Nuon Chea, gaven zich in december 1999 over. De overgebleven Rode Khmer legden de wapens neer en erkenden het wettig gezag van Hun Sen. Er kwamen steeds meer bewijzen dat Pol Pot op 15 april 1998 zelfmoord had gepleegd. In april werd Cambodja officieel toegelaten tot de Associatie van Zuidoost-Aziatische Naties (ASEAN) en de financiële steun van het IMF en de Wereldbank werd eind 1999 weer hervat.

Terug